ECLI:NL:CRVB:2022:1067
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante was werkzaam als servicedeskmedewerker en meldde zich ziek met gezondheidsklachten. Het UWV stelde op basis van een functionele mogelijkhedenlijst (FML) en arbeidsdeskundig onderzoek vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde een WIA-uitkering toe te kennen. De rechtbank Limburg verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig en volledig was uitgevoerd en dat de beperkingen juist waren vastgesteld.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar beperkingen, waaronder psychische klachten en vermoeidheid, onvoldoende waren meegenomen en dat de rechtbank ten onrechte geen onafhankelijke deskundige had benoemd, wat volgens haar in strijd was met artikel 6 EVRM Pro (equality of arms). Tevens verzocht zij om schadevergoeding wegens niet of te laat ontvangen uitkering.
De Raad oordeelt dat het hoger beroep in essentie een herhaling is van eerdere gronden en onderschrijft de beoordeling van de rechtbank. De medische stukken van appellante geven geen aanleiding tot twijfel over de juistheid van de medische beoordeling. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de klachten en beperkingen voldoende gemotiveerd beoordeeld en rekening gehouden met overprikkeling. De geselecteerde functies zijn medisch geschikt bevonden.
De Raad ziet geen reden om een onafhankelijke deskundige in te schakelen en wijst het verzoek om schadevergoeding af. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om WIA-uitkering en schadevergoeding wordt afgewezen.