ECLI:NL:CRVB:2022:1017
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WGA-vervolguitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant was werkzaam als metaalbewerker/CNC-operator en viel op 11 augustus 2017 uit wegens lichamelijke en later psychische klachten. Na beëindiging van het dienstverband vroeg appellant een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde de arbeidsongeschiktheid vast op 36,58% en kende een WGA-vervolguitkering toe. Na bezwaar en beroep werd deze uitkering herzien naar 31,65% arbeidsongeschiktheid en ingetrokken per 14 juli 2020.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de beperkingen niet waren onderschat. Appellant voerde in hoger beroep voornamelijk dezelfde gronden aan zonder nieuwe medische informatie en betwistte de geschiktheid van de geselecteerde functies.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank, benadrukte dat het ontbreken van lichamelijk onderzoek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet automatisch onzorgvuldigheid betekent, en concludeerde dat de medische beoordeling voldoende gemotiveerd was. De Raad bevestigde dat het UWV terecht de WGA-vervolguitkering introk en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de WGA-vervolguitkering per 14 juli 2020 wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.