ECLI:NL:CRVB:2022:1005
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstand na niet verschijnen op gesprek en niet overleggen bankafschriften
Appellant ontving bijstand van het college van burgemeester en wethouders van Weert. Het college startte een onderzoek naar de rechtmatigheid van de bijstand op grond van artikel 53a, zesde lid, van de Participatiewet. Appellant werd uitgenodigd voor een gesprek en verzocht bankafschriften te overleggen.
Op 27 juni 2019 werd de bijstand opgeschort omdat appellant zonder bericht van verhindering niet op het gesprek verscheen. Het college gaf appellant een tweede kans op 8 juli 2019 om alsnog te verschijnen en de gevraagde gegevens te overleggen. Appellant verscheen wederom niet en overhandigde de bankafschriften niet.
Het college trok daarop de bijstand met terugwerkende kracht in per 27 juni 2019. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het college bevoegd was het onderzoek te starten zonder voorafgaand vermoeden. De Raad bevestigt dit oordeel en wijst het hoger beroep af. Appellant kon het niet verschijnen en het niet overleggen van gegevens niet aannemelijk maken.
De Raad overweegt dat de brief van 8 juli 2019 geen mededeling bevatte dat het onderzoek was afgerond, zodat de gevraagde gegevens noodzakelijk waren voor de vaststelling van het recht op bijstand. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wordt bevestigd omdat appellant niet is verschenen op het gesprek en de gevraagde bankafschriften niet heeft overgelegd.