ECLI:NL:CRVB:2021:966
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing WIA- en Ziektewetuitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, laatstelijk productiemedewerker, meldde zich in 2015 ziek met psychische klachten en ontving aanvankelijk een Ziektewetuitkering. Na medisch en arbeidskundig onderzoek stelde het UWV vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en daarom geen recht had op een WIA-uitkering. Dit besluit werd bevestigd na bezwaar en beroep, waarbij de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige hun standpunten onderbouwden met aangepaste functionele mogelijkhedenlijsten en rapporten.
Appellante voerde aan dat zij meer beperkingen had, onderbouwd met medische adviezen en rapporten, maar de rechtbank en de Centrale Raad van Beroep volgden dit niet. De rechtbank oordeelde dat de beperkingen en geschiktheid voor passende functies, zoals medewerker tuinbouw, voldoende waren vastgesteld. Ook het bezwaar tegen de weigering van een Ziektewetuitkering werd ongegrond verklaard, mede omdat de medische stukken onvoldoende onderbouwing boden voor een andere beoordeling.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde het oordeel van de rechtbank dat de medische en arbeidskundige beoordelingen zorgvuldig en gemotiveerd waren uitgevoerd. De aangevallen uitspraak werd bekrachtigd, waarmee de hoger beroepen van appellante werden verworpen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen recht heeft op WIA- en Ziektewetuitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.