ECLI:NL:CRVB:2021:96
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens ontbreken toegenomen arbeidsongeschiktheid
Appellant heeft zich in 2012 ziek gemeld met klachten die aanvankelijk niet leidden tot een WIA-uitkering, omdat zijn arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedroeg. In 2018 verzocht hij om herbeoordeling wegens vermeende toename van klachten, waaronder maag- en darmproblemen vastgesteld in Turkije. Het UWV weigerde opnieuw een WIA-uitkering toe te kennen, stellende dat er geen toegenomen beperkingen waren uit dezelfde ziekteoorzaak.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de verzekeringsartsen hun oordeel voldoende hadden gemotiveerd. In hoger beroep handhaafde appellant zijn standpunt over onzorgvuldig medisch onderzoek en verslechterde gezondheid.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het medisch onderzoek wel degelijk zorgvuldig was, met dossierstudie en consultatie van diverse artsen, waaronder een Turkse arts. De Raad stelt vast dat begin 2014 buik- en darmklachten geen rol speelden bij de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling en dat de huidige klachten niet voortvloeien uit dezelfde oorzaak als destijds. Het hoger beroep wordt verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens het ontbreken van toegenomen arbeidsongeschiktheid uit dezelfde ziekteoorzaak.