ECLI:NL:CRVB:2021:883
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WAO-uitkering wegens minder dan 15% arbeidsongeschiktheid na zorgvuldige medische beoordeling
Appellante, voormalig administratief medewerkster, ontving sinds 2003 een WAO-uitkering die in 2017 werd beëindigd omdat haar arbeidsongeschiktheid volgens het UWV was gedaald tot onder de 15%. Dit besluit werd gebaseerd op een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld door een verzekeringsarts en een arbeidskundige, die concludeerden dat appellante geschikt was voor bepaalde functies met een verlies van verdiencapaciteit van 11,36%.
Appellante maakte bezwaar en stelde dat haar beperkingen onjuist waren vastgesteld, onder meer vanwege een operatie aan een tumor en klachten door endometriose, en verwees naar medische stukken. Het UWV handhaafde het besluit na aanvullend onderzoek en aanpassing van de FML in mei 2020, waarbij de geschikte functies ongewijzigd bleven.
De rechtbank oordeelde eerder dat het onderzoek zorgvuldig was, waarbij onder meer neuropsychologisch en psychiatrisch onderzoek was verricht. De Raad bevestigt dit oordeel, stelt dat de medische beoordeling zorgvuldig en onderbouwd is, en dat de geduide functies medisch geschikt zijn. De Raad wijst erop dat het niet gaat om diagnoses, maar om objectief vastgestelde beperkingen.
Hoewel het UWV aanvankelijk een procedurefout maakte door onvoldoende onderbouwing te geven, wordt dit gebrek gepasseerd omdat appellante hierdoor niet is benadeeld. De Raad veroordeelt het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierecht en bevestigt het bestreden besluit tot beëindiging van de WAO-uitkering.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WAO-uitkering wegens minder dan 15% arbeidsongeschiktheid na zorgvuldig medisch onderzoek.