ECLI:NL:CRVB:2021:882
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Centrale Raad van Beroep vernietigt weigering IVA-uitkering wegens onvoldoende onderbouwing duurzaamheid
Appellante was sinds 2009 arbeidsongeschikt als gevolg van psychische klachten en ontving aanvankelijk een WGA-uitkering. Na een herbeoordeling door het UWV werd haar uitkering per 29 november 2016 beëindigd wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%. Appellante maakte bezwaar en beroep tegen dit besluit en stelde dat zij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt was en aanspraak maakte op een IVA-uitkering.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk en wees het beroep tegen het tweede besluit af, waarbij werd aangenomen dat er een kans op herstel bestond. In hoger beroep betoogde appellante dat de duurzaamheid van haar arbeidsongeschiktheid onvoldoende was onderzocht en onderbouwd, mede omdat langdurige behandeling geen verbetering had gebracht.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het beoordelingskader vereist dat bij een inschatting van duurzaamheid een concrete en toereikende onderbouwing moet worden gegeven, vooral als verbetering in het eerste jaar niet te verwachten is. In dit geval ontbrak die onderbouwing, met name ten aanzien van de mogelijke medische behandeling en re-integratieactiviteiten die tot verbetering zouden kunnen leiden.
De Raad vernietigde het bestreden besluit en stelde dat appellante met ingang van 29 november 2016 recht heeft op een IVA-uitkering wegens duurzame volledige arbeidsongeschiktheid. Tevens werd het UWV veroordeeld in de proceskosten van appellante en tot vergoeding van het betaalde griffierecht.
Uitkomst: Appellante heeft met ingang van 29 november 2016 recht op een IVA-uitkering wegens duurzame volledige arbeidsongeschiktheid.