Uitspraak
18.2181 WIA
OVERWEGINGEN
14 december 2015. Een arbeidsdeskundige van het Uwv heeft functies geselecteerd en op basis van die selectie de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 0%.
Centrale Raad van Beroep
Appellante, voormalig verkoopster, meldde zich in 2010 ziek met lichamelijke en psychische klachten. Het UWV kende haar aanvankelijk een WGA-uitkering toe met 100% arbeidsongeschiktheid, die later werd herzien tot 43,6%. Na een verslechtering van haar gezondheid in 2015 stelde een verzekeringsarts een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) op, waarin beperkingen werden vastgesteld. Het UWV beëindigde in 2016 haar WIA-uitkering omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze beëindiging ongegrond, waarbij zij oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de vastgestelde beperkingen voldoende waren gemotiveerd. Appellante voerde in hoger beroep aan dat het onderzoek onzorgvuldig was en dat zij meer beperkingen had, met name bij het zitten en de urenbeperking.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek, waarbij rekening was gehouden met alle medische gegevens en klachten, waaronder orthostatische hypotensie en vermoeidheid. De Raad vond geen aanleiding voor twijfel aan de vastgestelde belastbaarheid en oordeelde dat het handhaven van de beperkingen in de FML van december 2015 medisch gezien gerechtvaardigd was. Ook zag de Raad geen noodzaak voor een deskundigenonderzoek.
De Raad bevestigde het oordeel van de rechtbank dat de functies waarop de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling was gebaseerd medisch geschikt zijn voor appellante. Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen veroordeling in de proceskosten uitgesproken.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit van het UWV tot beëindiging van de WIA-uitkering wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%.