ECLI:NL:CRVB:2021:83
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van juiste vaststelling arbeidsongeschiktheid en WGA-uitkering zonder wijziging
Appellante, werkzaam als kassière/klantenservicemedewerker, meldde zich ziek wegens zwangerschapsklachten en ontving een loongerelateerde WGA-uitkering met een arbeidsongeschiktheid van 48,18%. Na melding van toegenomen psychische klachten stelde het UWV vast dat de functionele beperkingen niet waren toegenomen, wat leidde tot handhaving van de uitkering.
Appellante maakte bezwaar tegen deze besluiten en voerde aan dat haar beperkingen waren toegenomen, mede door het Hellp-syndroom en PTSS. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat er geen medische onderbouwing was voor toegenomen beperkingen en dat zorgtaken buiten beschouwing blijven.
In hoger beroep handhaafde appellante haar standpunt, maar de Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en het UWV. De verzekeringsarts had gemotiveerd dat de toegenomen klachten niet voortvloeiden uit de bekende stoornissen en dat het neuropsychologisch onderzoek onvoldoende bewijs leverde voor extra beperkingen.
De Raad concludeerde dat de medische grondslag juist was en bevestigde dat de mate van arbeidsongeschiktheid en de WGA-loonaanvullingsuitkering van 45-55% terecht waren vastgesteld. Er werd geen aanleiding gezien voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de arbeidsongeschiktheid niet is gewijzigd en de WGA-uitkering correct is vastgesteld.