ECLI:NL:CRVB:2021:827
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant, voormalig lasser, meldde zich ziek na een ongeval en ontving aanvankelijk een Ziektewetuitkering. Na een verzekeringsgeneeskundige beoordeling stelde het UWV vast dat appellant belastbaar was met beperkingen, wat leidde tot beëindiging van de Ziektewetuitkering en weigering van een WIA-uitkering vanwege het niet vervullen van de wachttijd.
Appellant ontving een invaliditeitspensioen in Slowakije, waardoor de wachttijd alsnog werd geacht vervuld. Het UWV voerde daarop een nieuwe beoordeling uit en concludeerde dat de situatie niet was gewijzigd. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze beslissing ongegrond, stellende dat het UWV een zorgvuldig onderzoek had verricht en de beperkingen correct had vastgesteld.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn stelling dat zijn beperkingen werden onderschat, maar leverde geen nieuwe medische onderbouwing. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV terecht de mate van arbeidsongeschiktheid op minder dan 35% had vastgesteld en de WIA-uitkering terecht had geweigerd. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van een WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.