ECLI:NL:CRVB:2021:81
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van arbeidsongeschiktheid en beperkingen bij WIA-uitkering na sarcoïdose
Appellante, voormalig intakemedewerkster, meldde zich ziek in 2012 en vroeg in 2016 een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde op basis van een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) op met beperkingen, wat leidde tot een loongerelateerde WGA-uitkering van 44,94% arbeidsongeschiktheid.
Na bezwaar werd de FML aangepast met enkele extra beperkingen, maar de arbeidskundige beoordeling bleef dat de voorgehouden functies passend waren. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat het UWV zorgvuldig had gehandeld en dat de verzekeringsartsen voldoende deskundigheid hadden, ondanks de specifieke ziekte sarcoïdose.
In hoger beroep stelde appellante dat het UWV meer had moeten leunen op haar specialistische behandelaar en dat een deskundige benoemd had moeten worden. De Raad oordeelde dat het UWV voldoende rekening had gehouden met medische informatie en dat de beperkingen passend waren. Omdat de diagnose niet ter discussie stond en de beperkingen goed waren gemotiveerd, werd het beroep afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.