ECLI:NL:CRVB:2021:784
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van vaststelling arbeidsongeschiktheid op 63,29% in WIA-uitkering
Appellant was laatstelijk werkzaam als bouwopruimer en meldde zich in 2012 ziek met lichamelijke en psychische klachten. Na een eerdere afwijzing van een WIA-uitkering in 2014, werd in 2017 een WIA-uitkering toegekend wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid van 63,29% per 10 augustus 2015. Appellant betwistte deze vaststelling en voerde aan dat zijn beperkingen ernstig zijn en onderschat.
De rechtbank oordeelde dat de medische rapporten zorgvuldig waren en dat appellant onvoldoende medische onderbouwing had geleverd om de vaststelling te betwisten. Ook in hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunten, maar bracht geen nieuwe medische informatie in. De Centrale Raad van Beroep onderschreef de motieven van de rechtbank en bevestigde dat het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid terecht heeft vastgesteld.
De Raad concludeerde dat de beperkingen van appellant in de Functionele Mogelijkhedenlijst adequaat zijn vastgesteld en dat de geselecteerde functies medisch geschikt zijn. Er was geen aanleiding om een onafhankelijke deskundige te benoemen of het besluit te wijzigen. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant voor 63,29% arbeidsongeschikt is en wijst het hoger beroep af.