ECLI:NL:CRVB:2021:762
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging juiste vaststelling mate van arbeidsongeschiktheid WIA op 65-80%
Appellant, laatst werkzaam als operator, meldde zich in 2012 ziek met lichamelijke en psychische klachten. Het UWV kende hem een WGA-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Na toegenomen klachten in 2016 werd de mate van arbeidsongeschiktheid herzien en vastgesteld op 65 tot 80%.
Appellant maakte bezwaar tegen deze vaststelling, stellende dat niet alle medische informatie was meegenomen en dat hij meer beperkt was dan aangenomen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de geselecteerde functies passend waren.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad stelde vast dat alle relevante medische informatie, inclusief die van huisarts en acupuncturist, was meegewogen. De FML was juist vastgesteld en de arbeidsdeskundige had de geschiktheid van de functies voldoende gemotiveerd. De latere toekenning van een IVA-uitkering aan appellant was niet relevant voor de datum in geschil.
De Raad concludeerde dat het hoger beroep ongegrond is en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen aanleiding gezien voor kostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de mate van arbeidsongeschiktheid terecht is vastgesteld op 65 tot 80%.