ECLI:NL:CRVB:2021:700
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering na zorgvuldige medische beoordeling bevestigd
Appellant, voormalig allround medewerker bij een pizzaketen, meldde zich ziek na een scooterongeval en ontving een Ziektewetuitkering. Na een eerstejaars ZW-beoordeling stelde een verzekeringsarts vast dat appellant belastbaar was met beperkingen volgens een Functionele Mogelijkhedenlijst. Een arbeidsdeskundige concludeerde dat appellant nog 100% van zijn maatmaninkomen kon verdienen met geschikte functies.
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) beëindigde de uitkering per 4 maart 2018, wat door appellant werd aangevochten. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de beperkingen adequaat waren vastgesteld. De rechtbank verwierp het standpunt dat de verzekeringsarts informatie van de behandelend sector had moeten opvragen.
In hoger beroep voerde appellant aan dat het onderzoek niet zorgvuldig was en dat zijn beperkingen werden onderschat, met name cognitieve stoornissen. De Centrale Raad van Beroep volgde dit niet en onderschreef de rechtbankuitspraak. De Raad stelde vast dat de medische beoordeling en de selectie van functies passend waren en dat appellant onvoldoende medisch bewijs leverde voor ernstiger beperkingen.
De Raad concludeerde dat het hoger beroep ongegrond is en bevestigde de beëindiging van de Ziektewetuitkering. Er werd geen aanleiding gezien voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de Ziektewetuitkering terecht is beëindigd na een zorgvuldig medisch en arbeidskundig onderzoek.