ECLI:NL:CRVB:2021:698
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlaging arbeidsongeschiktheid naar 61,96% en toewijzing proceskosten
Appellante, werkzaam als warehouse operator, meldde zich in 2012 ziek vanwege psychische klachten. Het UWV kende haar een WGA-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheid van 67,06%, later verlaagd naar 61,95%. Appellante maakte bezwaar tegen deze verlaging, maar dit werd ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen het besluit van het UWV ongegrond, waarbij zij oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de beperkingen adequaat waren vastgesteld.
In hoger beroep stelde appellante dat de rechtbank onzorgvuldig had gehandeld door geen onafhankelijke deskundige in te schakelen en dat zij volledig arbeidsongeschikt was. De Raad liet zich adviseren door een deskundige, die bevestigde dat de beperkingen passend waren en dat de FML correct was aangepast. Het UWV handhaafde haar standpunt dat de geselecteerde functies passend waren.
De Raad oordeelde dat het deskundigenrapport zorgvuldig en overtuigend was en dat het gebrek aan motivering in het bestreden besluit werd gepasseerd omdat de belanghebbende daardoor niet werd benadeeld. De Raad bevestigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, wees het verzoek om schadevergoeding af, maar veroordeelde het UWV tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de verlaging van de arbeidsongeschiktheid naar 61,96% en wijst het verzoek om schadevergoeding af, maar veroordeelt het UWV tot vergoeding van proceskosten.