ECLI:NL:CRVB:2021:668
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling afwijzing WIA-uitkering met verkorte wachttijd wegens niet-evident stabiele medische situatie
Appellante 1, werkneemster, diende een aanvraag in voor een WIA-uitkering met verkorte wachttijd vanwege neurologische klachten gerelateerd aan dunne vezel neuropathie (DVN) en carpaaltunnelsyndroom (CTS). Het UWV wees de aanvraag af omdat er volgens een verzekeringsarts geen sprake was van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid, mede omdat een behandeling van CTS mogelijk nog verbetering kon brengen.
Na bezwaar en beroep bevestigde het UWV dit standpunt, ondersteund door rapporten van verzekeringsartsen en een arbeidsdeskundige. De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond en oordeelde dat de medische situatie van werkneemster niet onomkeerbaar was op het moment van beoordeling.
In hoger beroep betoogden appellanten dat de beperkingen door DVN al volledig arbeidsongeschikt maakten en dat een behandeling van CTS geen verschil zou maken. De Raad volgde echter het oordeel van de verzekeringsarts dat begin 2017 onvoldoende duidelijkheid bestond over het resultaat van een mogelijke CTS-behandeling en dat er daarom geen sprake was van een evident stabiele of verslechterende situatie.
De Raad concludeerde dat het UWV terecht de aanvraag voor een verkorte wachttijd heeft afgewezen en bevestigde de eerdere uitspraak. Er werd geen aanleiding gezien om een deskundige te raadplegen en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De aanvraag voor een WIA-uitkering met verkorte wachttijd wordt afgewezen omdat er begin 2017 geen sprake was van een evident stabiele of verslechterende medische situatie.