ECLI:NL:CRVB:2021:662
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewet-uitkering na eerstejaarsbeoordeling met voldoende medische en arbeidskundige grondslag
Appellant was werkzaam als logistiek medewerker en meldde zich ziek met nek- en armklachten tijdens een WW-uitkering. Na het bereiken van de maximale WW-duur werd hij vanaf december 2017 ziekengeld op grond van de Ziektewet toegekend. Een verzekeringsarts stelde beperkingen vast in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) en een arbeidsdeskundige concludeerde dat appellant niet zijn eigen werk kon verrichten maar wel andere functies met een hoger loon kon vervullen.
Het UWV beëindigde daarom per 9 december 2018 de ZW-uitkering omdat appellant meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kon verdienen. Appellant maakte bezwaar en ging in beroep, maar rechtbank en later de Centrale Raad van Beroep oordeelden dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de beperkingen juist waren vastgesteld. De neuroloog bevestigde dat appellant voorzichtig zijn werkzaamheden kon hervatten.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij meer beperkingen had en niet fulltime kon werken, maar bracht geen nieuwe medische onderbouwing aan. De Raad onderschreef de eerdere beoordeling en oordeelde dat appellant in staat was om de geselecteerde functies te vervullen. De ZW-uitkering is daarom terecht beëindigd en het hoger beroep werd verworpen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de ZW-uitkering terecht is beëindigd omdat appellant meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kan verdienen.