ECLI:NL:CRVB:2021:642
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstandsuitkering wegens niet-gemelde betaalde werkzaamheden
In deze zaak gaat het om de intrekking van de bijstandsuitkering met ingang van 7 december 2013 en de terugvordering van kosten van bijstand over de periode tot en met 30 juni 2016. Appellant heeft gedurende deze periode op geld waardeerbare werkzaamheden verricht bij een onderneming in verf, behang en vloeren, zonder dit te melden aan het college van burgemeester en wethouders van Pekela.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij vanwege zijn gezondheid slechts in staat was tot het verrichten van hand- en spandiensten, en dat zijn werkzaamheden meer als tijdverdrijf dienden om sociaal isolement te voorkomen. Dit verweer werd verworpen omdat de waarnemingen en verklaringen van appellant en de eigenaar van de onderneming aantonen dat appellant daadwerkelijk productieve werkzaamheden verrichtte, zoals het leggen van vloeren, opmeten, en het assisteren van stoffeerders.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellant op geld waardeerbare arbeid verrichtte en daar inkomsten uit genoot, ongeacht zijn intentie om de werkzaamheden als tijdverdrijf te zien. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: De intrekking van de bijstandsuitkering en terugvordering worden bevestigd omdat appellant op geld waardeerbare werkzaamheden verrichtte zonder melding.