ECLI:NL:CRVB:2021:600

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 februari 2021
Publicatiedatum
18 maart 2021
Zaaknummer
19/1823 WMO15
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Geheimhoudingsbeslissing
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:29 AwbArt. 8:108 AwbWet maatschappelijke ondersteuning 2015
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beperking kennisneming geheime stukken ter bescherming persoonlijke levenssfeer in hoger beroep WMO

Appellanten zijn in hoger beroep gegaan tegen een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland waarin hun beroep tegen een besluit van het college van burgemeester en wethouders van Almere ongegrond werd verklaard. Het betrof een besluit waarbij aan de meerderjarige zoon van appellanten een maatwerkvoorziening voor beschermd wonen werd verstrekt op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (WMO 2015).

Het college had stukken ingediend waarvan de rechtbank had bepaald dat alleen zij kennis mochten nemen, op grond van artikel 8:29 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Appellanten verzochten om ook zelf kennis te mogen nemen van deze stukken, maar de rechtbank had dit geweigerd. In het hoger beroep heeft de Raad deze afweging opnieuw gemaakt.

De Raad heeft kennisgenomen van de geheime stukken en geoordeeld dat het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de zoon van appellanten zwaarder weegt dan het belang van appellanten om deze stukken in te zien. Daarbij is meegewogen dat appellanten zich ook zonder kennis van de inhoud van deze stukken kunnen verweren tegen de aangevallen uitspraak.

De Raad concludeert dat de beperking van de kennisgeving van deze stukken in het hoger beroep gerechtvaardigd is en wijst het verzoek van appellanten toe om de kennisneming te beperken. De uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij op 23 februari 2021.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek toe om kennisneming van bepaalde geheime stukken te beperken ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer.

Uitspraak

19.1823 WMO15-A

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Beslissing op het verzoek om toepassing van artikel 8:29 van Pro de Algemene wet bestuursrecht in het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 13 maart 2019, 17/3813 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] en [appellant] te [woonplaats] (appellanten)
het college van burgemeester en wethouders van Almere (college)
Datum uitspraak: 23 februari 2021
PROCESVERLOOP
Appellanten hebben hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het college heeft op 1 september 2020 stukken ingediend waarvan de rechtbank bij beslissing van 21 december 2017 onder toepassing van artikel 8:29 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft bepaald dat kennisname is voorbehouden aan de rechtbank.

OVERWEGINGEN

1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellanten tegen het besluit op bezwaar van 7 augustus 2017 ongegrond verklaard. Bij dit besluit heeft het college het bezwaar van appellanten tegen het besluit van 7 juni 2017, waarbij aan de (meerderjarige) zoon van appellanten een maatwerkvoorziening voor beschermd wonen is verstrekt op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, niet-ontvankelijk verklaard omdat zij niet als belanghebbenden bij dit besluit kunnen worden aangemerkt.
2. De rechtbank heeft haar oordeel onder meer gebaseerd op stukken waarvan de rechtbank heeft beslist dat alleen de rechtbank daar kennis van mocht nemen, waarna appellanten toestemming hebben verleend als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb.
3. De Raad gaat ervan uit dat het college met de indiening van de onder 2 genoemde stukken heeft bedoeld om het bij de rechtbank ingediende verzoek om toepassing van artikel 8:29, derde lid van de Awb in hoger beroep te herhalen.
4. Op grond van artikel 8:29, eerste lid, van de Awb kunnen partijen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, de bestuursrechter meedelen dat uitsluitend hij kennis zal mogen nemen van de stukken. De bestuursrechter dient ingevolge 8:29, derde lid, van de Awb te beslissen of de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is. Uit artikel 8:108, eerste lid van de Awb vloeit voort dat artikel 8:29 van Pro de Awb van overeenkomstige toepassing is op het hoger beroep.
5. De beslissing of de beperking van de kennisneming van een stuk gerechtvaardigd is, vergt een afweging van belangen. Enerzijds speelt hierbij het belang dat partijen gelijkelijk beschikken over de voor het (hoger) beroep relevante informatie. Daartegenover staat dat de kennisneming door partijen van bepaalde gegevens het algemeen belang, het belang van één of meer partijen of het belang van derden onevenredig kan schaden.
6. De onder 2 en 3 bedoelde stukken betreffen het besluit van 7 juni 2017, gericht aan de zoon van appellanten, en een aan dit besluit ten grondslag liggend advies van GGD Flevoland van 1 juni 2017.
7. Uitgangspunt is dat alle procespartijen ongehinderd toegang hebben tot alle op de zaak betrekking hebbende stukken. Onder omstandigheden kan het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer een uitzondering op dit uitgangspunt rechtvaardigen en aanleiding zijn om de kennisneming van persoonsgegevens te beperken. De Raad heeft kennisgenomen van de geheime stukken en acht in dit geval, gelet op de aard en inhoud daarvan, gewichtige redenen aanwezig als bedoeld in artikel 8:29 van Pro de Awb. Het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de zoon van appellanten weegt zwaarder dan het belang dat appellanten kunnen kennisnemen van deze stukken. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat appellanten zich ook zonder kennis te nemen van de inhoud van die stukken kunnen verweren tegen de aangevallen uitspraak.
8. Gelet op het voorgaande is de beperking van de kennisgeving van deze stukken in hoger beroep gerechtvaardigd.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek toe.
Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij, in tegenwoordigheid van R. van Doorn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 februari 2021.
(getekend) H.J. de Mooij
(getekend) R. van Doorn