ECLI:NL:CRVB:2021:580
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herbeoordeling arbeidsongeschiktheid en voortzetting intrekking WIA-uitkering
Appellante, voormalig schoonmaakster, viel in 2012 wegens ziekte uit en ontving vanaf 2014 een WGA-loongerelateerde uitkering op grond van de Wet WIA. Na een verzoek tot herbeoordeling door de ex-werkgever in 2017 werd de uitkering ongewijzigd voortgezet. Op bezwaar verklaarde het UWV de uitkering in 2018 ingetrokken vanwege een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze intrekking ongegrond, onder verwijzing naar een deugdelijke medische onderbouwing en een uitgebreide arbeidskundige beoordeling die aangaf dat appellante de geduide functies kan vervullen. Appellante voerde in hoger beroep geen nieuwe medische gronden aan en stelde dat de functies ongeschikt zijn vanwege beperkingen zoals een hoog handelingstempo, beperkingen aan de handen en duizeligheidsklachten.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat appellante onvoldoende heeft onderbouwd waarom de rechtbank onjuist heeft geoordeeld. Het UWV heeft de medische en arbeidskundige beoordeling gemotiveerd toegelicht en appellante heeft niet gereageerd op de nadere onderbouwing van de geschiktheid van de functies. De Raad bevestigt daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.