ECLI:NL:CRVB:2021:490
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging ZW-uitkering wegens arbeidsgeschiktheid ondanks knie- en voetklachten bevestigd
Appellante, werkzaam als kapster voor 8 uur per week, meldde zich ziek met fysieke klachten en ontving vanaf 1 september 2016 ziekengeld op grond van de Ziektewet. Een verzekeringsarts beoordeelde haar op 29 mei 2017 en concludeerde dat zij per 5 juni 2017 weer in staat was haar arbeid te verrichten. Het UWV beëindigde daarop de ZW-uitkering, wat door appellante werd aangevochten.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de medische informatie geen onderbouwing gaf voor de stelling dat appellante haar werk niet kon doen. De diagnose artrose werd erkend, maar dit leidde niet tot een andere beoordeling van haar belastbaarheid.
In hoger beroep handhaafde appellante haar standpunt, maar de Raad stelde vast dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de beperkingen overtuigend had gemotiveerd en dat artrose als leeftijdsgebonden gewrichtsslijtage geen belemmering vormde voor het staande en lopende beroep van kapster.
De Raad concludeerde dat het UWV terecht het recht op ziekengeld had beëindigd en wees het verzoek om schadevergoeding af. De aangevallen uitspraak werd bevestigd.
Uitkomst: De ZW-uitkering van appellante is terecht beëindigd omdat zij in staat was haar arbeid als kapster te verrichten ondanks haar klachten.