ECLI:NL:CRVB:2021:471

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
5 maart 2021
Publicatiedatum
5 maart 2021
Zaaknummer
20/3807 WMO15
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:108 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijk verklaring hoger beroep wegens niet tijdige betaling griffierecht

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Overijssel. De Centrale Raad van Beroep heeft appellant meerdere malen gewezen op de verplichting tot betaling van het griffierecht van €131,- binnen de gestelde termijn. Ondanks herinneringen en aanmaningen is het griffierecht niet tijdig voldaan.

Op grond van artikel 8:41 en Pro 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht is het betalen van griffierecht een vereiste voor ontvankelijkheid van het hoger beroep. Omdat appellant niet aan deze verplichting heeft voldaan, is het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaard zonder inhoudelijke behandeling van de zaak.

Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door D.S. de Vries, in aanwezigheid van griffier K.R. van Renswoude, en is openbaar uitgesproken op 5 maart 2021.

Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet tijdige betaling van het griffierecht.

Uitspraak

Datum uitspraak: 5 maart 2021
20/3807 WMO15
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van
2 oktober 2020, 19/1992 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zwartewaterland

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

OVERWEGINGEN

In artikel 8:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat van de indiener van het beroepschrift een griffierecht wordt geheven. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Bij brief van 18 november 2020 is appellant erop gewezen dat een griffierecht van € 131,- is verschuldigd, en is medegedeeld dat dit bedrag uiterlijk 28 dagen na de dag van verzending van de brief op de in die brief genoemde bankrekening moet zijn bijgeschreven.
Bij aangetekende brief van 19 december 2020 is appellant nogmaals gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en is medegedeeld dat het verschuldigde bedrag binnen vier weken na de datum van deze brief op de in die brief genoemde bankrekening dient te zijn bijgeschreven dan wel contant moet zijn betaald op het bezoekadres van de Raad. Daarbij is erop gewezen dat als het griffierecht niet tijdig wordt betaald, appellant er rekening mee moet houden dat het (hoger) beroep niet inhoudelijk behandeld zal worden.
Het griffierecht is niet binnen de termijn betaald.
Op grond van de beschikbare gegevens kan redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest. Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist.
Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door D.S. de Vries, in tegenwoordigheid van K.R. van Renswoude als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 maart 2021.
(getekend) D.S. de Vries
(getekend) K.R. van Renswoude
Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.