ECLI:NL:CRVB:2021:458
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant, laatstelijk werkzaam als productiemedewerker, vroeg een WIA-uitkering aan na ziekmelding in 2015. Het UWV stelde op basis van medisch en arbeidskundig onderzoek vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde daarom de uitkering toe te kennen. De rechtbank Limburg verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig en volledig was uitgevoerd en dat de beperkingen van appellant juist waren vastgesteld.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn beperkingen werden onderschat en dat het UWV onvoldoende rekening hield met zijn klachten. Hij bracht aanvullende medische stukken in, maar deze boden geen nieuwe inzichten die het eerdere oordeel konden weerleggen. De Raad concludeerde dat het UWV terecht de mate van arbeidsongeschiktheid had vastgesteld en dat er geen reden was een deskundige te benoemen.
De Raad volgde de rechtbank in haar oordeel dat de geselecteerde functies medisch geschikt zijn voor appellant en dat het UWV voldoende had gemotiveerd waarom appellant geen WIA-uitkering krijgt. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.