ECLI:NL:CRVB:2021:435

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
25 februari 2021
Publicatiedatum
2 maart 2021
Zaaknummer
20/2118 WSF
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbWet studiefinanciering 2000
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herziening studiefinanciering wegens niet-thuiswonende status bevestigd

Appellant ontving vanaf 1 maart 2018 studiefinanciering als uitwonende student, terwijl hij volgens onderzoek van de minister niet op zijn BRP-adres woonde. Controleurs bezochten het adres en stelden vast dat appellant en zijn zus nauwelijks aanwezig waren en er geen persoonlijke spullen van appellant werden aangetroffen. De minister herzag daarop de studiefinanciering en vorderde €3.799,46 terug.

De rechtbank Gelderland verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat het onderzoek voldoende feitelijke grondslag bood om appellant als thuiswonend aan te merken. Appellant voerde in hoger beroep aan dat het onderzoek onzorgvuldig was en het besluit onvoldoende gemotiveerd, maar bracht geen nieuwe feiten of bewijzen in.

De Centrale Raad van Beroep onderschreef de motivering van de rechtbank en bevestigde het bestreden besluit. Er was geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. De terugvordering van het bedrag was terecht omdat appellant niet woonde op het BRP-adres.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant terecht als thuiswonende studerende is aangemerkt en het bedrag van €3.799,46 terecht is teruggevorderd.

Uitspraak

20/2118 WSF
Datum uitspraak: 25 februari 2021
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van
7 mei 2020, 19/6651 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. B. Arabaci, advocaat, hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft toestemming verleend de behandeling ter zitting achterwege te laten. De minister heeft niet binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant stond vanaf 5 februari 2018 in de Basisregistratie personen (brp) ingeschreven onder het adres [adres] . Appellant heeft, voor zover hier van belang, vanaf 1 maart 2018 studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 ontvangen, berekend naar de norm die geldt door een uitwonende studerende.
1.2.
Op 28 augustus 2019 hebben twee controleurs in opdracht van de minister onderzoek gedaan naar de woonsituatie van appellant. Van de bevindingen van het onderzoek is een rapport opgemaakt.
1.3.
Bij besluiten van 19 september 2019 heeft de minister op basis van de bevindingen van het onderzoek de aan appellant toegekende studiefinanciering met ingang van 1 maart 2018 herzien, in die zin dat hij vanaf die datum als thuiswonende studerende is aangemerkt. Daarbij is in totaal een bedrag van € 3.799,46 van hem teruggevorderd.
1.4.
Het tegen de onder 1.3 genoemde besluiten gemaakte bezwaar is door de minister bij besluit van 18 november 2019 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat de minister zich op basis van het rapport dat van het huisbezoek is opgemaakt op het standpunt heeft kunnen stellen dat aannemelijk is geworden dat appellant ten tijde van de controle niet op zijn brp-adres woonachtig was. Uit de rapportage van het huisbezoek komt naar voren dat de controleurs hebben gesproken met de hoofdbewoner van [adres] . De rapporteurs hebben toestemming gekregen om de woning binnen te treden. De hoofdbewoner heeft verklaard dat appellant een zoon is van vrienden die hij al 40 jaar kent en dat, naast de hoofdbewoners, appellant en diens zus [naam zus] in de woning wonen. De hoofdbewoner heeft op de zolder van de woning de kamer getoond die bij appellant in gebruik zou zijn en hij heeft ook de andere kamers getoond. Volgens de hoofdbewoner is het bed op zolder zo niet te beslapen, omdat daar de spullen van de hoofdbewoners op liggen. De hoofdbewoner heeft verklaard dat appellant en zijn zus de laatste tijd niet komen op het brp-adres. Wel betaalt appellant volgens de hoofdbewoner € 225,- contant per maand voor de huur, net als zijn zus. Hoewel er een huurcontract zou zijn opgemaakt, kan de hoofdbewoner dit niet tonen. De hoofdbewoner heeft ook geen ondergoed, administratie, pc/laptop, persoonlijke verzorgingsspullen of schoolspullen van appellant kunnen tonen. Het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, biedt naar het oordeel van de rechtbank voldoende feitelijke grondslag voor het standpunt van de minister dat appellant ten tijde van belang niet woonde op het brp-adres. De rechtbank acht daarbij vooral van belang dat er bij het onderzoek in het geheel geen direct tot appellant herleidbare persoonlijke spullen in de woning zijn aangetroffen, terwijl appellant al geruime tijd in de woning zou wonen.
3. Appellant heeft in hoger beroep betoogd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de herziening stand kan houden. Hij heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat het onderzoek onzorgvuldig is geweest en dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd is een nagenoeg woordelijke herhaling van de in beroep aangevoerde gronden. Appellant heeft in hoger beroep geen nieuwe gronden en argumenten naar voren gebracht, of redenen vermeld waarom de rechtbank tot een ander oordeel had moeten komen. Ook is het hoger beroep niet voorzien van enig bewijsmiddel.
4.2.
De rechtbank heeft de beroepsgronden in de aangevallen uitspraak afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom die gronden niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. De Raad onderschrijft de overwegingen die tot het oordeel in de aangevallen uitspraak hebben geleid.
4.3.
Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het betoog in hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2021.
(getekend) H.J. de Mooij
(getekend) P. Boer