ECLI:NL:CRVB:2021:420
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling herziening en terugvordering toeslag op grond van de Toeslagenwet
Appellant ontving een toeslag op grond van de Toeslagenwet, die aanvankelijk voorlopig werd toegekend vanwege ontbrekende inkomstengegevens van zijn partner. Nadat het UWV de definitieve jaarcijfers van de Belastingdienst ontving, werd vastgesteld dat appellant en zijn partner gezamenlijk meer inkomsten hadden dan het sociaal minimum, waardoor het recht op toeslag kwam te vervallen.
Het UWV herzag de toeslag en vorderde een bedrag van €10.337,30 bruto terug. Appellant maakte bezwaar en voerde onder meer aan dat de toeslag niet teruggevorderd mocht worden omdat deze niet voorlopig was en dat het UWV haar zorgplicht had geschonden. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en stelde dat het UWV terecht had gehandeld.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dat het UWV op grond van de wet verplicht was de toeslag te herzien en terug te vorderen. De Raad oordeelde dat het UWV niet verwijtbaar was dat het definitieve bedrag pas in 2016 werd vastgesteld en dat de fiscale gegevens waarop het UWV zich baseerde niet onjuist waren. Ook het verzoek om kwijtschelding werd afgewezen omdat appellant geen aflossingscapaciteit heeft en de termijn van tien jaar nog niet was verstreken.
De Raad verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde het besluit van het UWV, waarmee de terugvordering en de afwijzing van kwijtschelding in stand bleven.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot terugvordering van de toeslag wordt bevestigd.