ECLI:NL:CRVB:2021:403
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand en terugvordering wegens niet gemelde werkzaamheden
In deze zaak heeft het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam de bijstand van appellant ingetrokken per 1 mei 2018 en de kosten van bijstand teruggevorderd over de periode van 1 mei 2018 tot en met 31 maart 2019, ter hoogte van €16.560,69. Dit besluit is gebaseerd op het feit dat appellant op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht zonder dit te melden, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld.
Appellanten voerden in hoger beroep aan dat het recht op bijstand schattenderwijs vastgesteld kon worden, maar zij zijn hierin niet geslaagd omdat zij onvoldoende bewijsstukken konden overleggen om de omvang van de werkzaamheden en het uurloon aannemelijk te maken. De enkele stelling dat appellant incidenteel werkte en €10 per uur kreeg, was onvoldoende.
Daarnaast voerden appellanten aan dat er dringende redenen waren om van terugvordering af te zien, vanwege de zorg voor hun 17-jarige kleinzoon en de gezondheidsklachten van appellant. De rechtbank en de Centrale Raad oordeelden dat deze omstandigheden geen dringende redenen opleveren zoals bedoeld in artikel 58, achtste lid, van de Participatiewet, omdat de terugvordering pas financiële gevolgen heeft bij invordering en appellanten beschermd zijn door beslagvrije voetregels.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt daarom de beslissing van de rechtbank Rotterdam en wijst het hoger beroep af. Er wordt geen aanleiding gezien voor een kostenveroordeling.
Uitkomst: De intrekking van bijstand en terugvordering van €16.560,69 worden bevestigd omdat appellant werkzaamheden niet heeft gemeld en geen dringende redenen zijn aangetoond.