ECLI:NL:CRVB:2021:393
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant was assistent-uitvoerder kabelwerker en meldde zich ziek met rugklachten. Het UWV stelde op basis van een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde daarom een WIA-uitkering toe te kennen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was.
In hoger beroep voerde appellant aan dat het UWV zijn beperkingen onderschatte, onder meer vanwege afwijkingen tussen bevindingen van behandelend artsen en verzekeringsartsen. Ook verzocht appellant om benoeming van een onafhankelijke deskundige. De Raad volgde dit niet en stelde dat het ingebrachte fysieke mogelijkhedenprofiel onvoldoende onderbouwd was en dat de medische gegevens geen aanleiding gaven voor meer beperkingen dan vastgesteld.
De Raad bevestigde dat de functies die appellant kon verrichten passend waren en dat het gebruik van oxycodon en afwisseling van houding in de functies adequaat waren meegenomen. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de weigering van een WIA-uitkering bevestigd.