ECLI:NL:CRVB:2021:350
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van beëindiging Ziektewetuitkering na zorgvuldige beoordeling beperkingen
Appellant was werkzaam als algemeen medewerker en meldde zich ziek met psychische en lichamelijke klachten. Het UWV kende hem een Ziektewetuitkering toe, maar beëindigde deze nadat een verzekeringsarts beperkingen had vastgesteld in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) en een arbeidsdeskundige had berekend dat appellant meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kon verdienen met geschikte functies.
Appellant maakte bezwaar en beroep tegen het besluit, waarbij een gewijzigde FML werd opgesteld met aangescherpte beperkingen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat appellant de geselecteerde functies kon vervullen.
In hoger beroep stelde appellant dat het medisch onderzoek onvoldoende was en dat zijn beperkingen zwaarder waren, mede gelet op informatie van GGZ in Balans, een neuroloog en zijn WMO-begeleiding. De Centrale Raad van Beroep onderschreef echter de rechtbank en het UWV: de FML was zorgvuldig opgesteld, rekening houdend met alle relevante medische gegevens, en de geselecteerde functies passen binnen de vastgestelde belastbaarheid.
De Raad concludeerde dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij niet ten minste 65% van zijn maatmaninkomen kon verdienen en bevestigde daarom de beëindiging van de Ziektewetuitkering. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de Ziektewetuitkering omdat appellant in staat is ten minste 65% van zijn maatmaninkomen te verdienen.