ECLI:NL:CRVB:2021:34
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing Wajong-uitkering wegens ontbreken beperkingen op 18e jaar en tijdens studie
Appellante vroeg een Wajong-uitkering aan op grond van psychische klachten, met een aanvraag ontvangen in 2016. Het UWV wees de aanvraag af omdat niet kon worden vastgesteld dat zij vóór haar 18e jaar of tijdens haar studie beperkingen had. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was.
In hoger beroep voerde appellante aan dat zij vanwege haar psychische klachten als jonggehandicapte moet worden aangemerkt en dat zij tijdens haar studie uitviel. Zij stelde dat zij had voldaan aan de bewijslast en dat een zwaardere bewijslast voor jonggehandicapten onrechtvaardig is. Het UWV handhaafde haar standpunt.
De Raad stelde vast dat hoofdstuk 1A van de Wajong 2015 van toepassing is vanwege de datum van aanvraag. De bewijslast ligt bij de aanvrager bij een laattijdige aanvraag. De Raad vond het medisch onderzoek en de motivatie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep overtuigend en oordeelde dat appellante onvoldoende medische informatie over de relevante periode had overgelegd. De stellingen over haar studie en arbeidsverleden waren onvoldoende onderbouwd.
De Raad concludeerde dat het hoger beroep niet slaagt en bevestigde de uitspraak van de rechtbank met verbetering van gronden. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de Wajong-uitkering wegens onvoldoende bewijs van beperkingen op het 18e jaar en tijdens de studie.