Uitspraak
18 5910 WW
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
.De WW-uitkering is per 1 augustus 2015 beëindigd.
Centrale Raad van Beroep
Appellant had uitkeringen ontvangen op grond van de WW, ZW en WIA, waarbij hij stelde werkzaam te zijn geweest bij Werkgever B.V. 1 en handelsonderneming. Het UWV voerde een onderzoek uit naar de rechtmatigheid van deze uitkeringen en concludeerde dat er geen sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking, mede vanwege het ontbreken van daadwerkelijke werkzaamheden, gezag en loonbetalingen.
De rechtbank oordeelde dat het UWV voldoende aannemelijk had gemaakt dat de dienstbetrekkingen gefingeerd waren en dat appellant niet als werknemer verzekerd was. Appellant kon dit niet weerleggen met objectief en verifieerbaar tegenbewijs. De Raad onderschreef dit oordeel en bevestigde dat het UWV de uitkeringen en toeslagen terecht had ingetrokken en teruggevorderd.
De Raad benadrukte dat voor het aannemen van een dienstbetrekking moet worden gekeken naar de overeengekomen rechten en verplichtingen, de feitelijke uitvoering en dat niet één element doorslaggevend is. Het ontbreken van omzet, loonbetalingen, en concrete werkzaamheden bij handelsonderneming en onduidelijkheid over het dienstverband met Werkgever B.V. 1 waren doorslaggevend.
Appellant had onvoldoende concrete en verifieerbare gegevens aangeleverd om het standpunt van het UWV te weerleggen. De Raad concludeerde dat het hoger beroep niet slaagt en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen privaatrechtelijke dienstbetrekking had en dat de uitkeringen terecht zijn ingetrokken en teruggevorderd.