ECLI:NL:CRVB:2021:3256

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 december 2021
Publicatiedatum
22 december 2021
Zaaknummer
20/4440 WSF
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbWet studiefinanciering 2000
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring bezwaar tegen aflossingsbesluit studiefinanciering

Appellant ontving vanaf 2007 studiefinanciering, waaronder basis- en aanvullende beurs en vanaf 2009 ook een rentedragende lening. In 2009 werd appellant geïnformeerd over een te hoge studiefinanciering en de omzetting daarvan in een schuld. In 2017 en 2019 volgden aanvullende besluiten over de hoogte van de schuld en betalingsregelingen.

Bij besluit van 7 november 2019 werd appellant geïnformeerd over de maandelijkse aflossing van zijn schuld, maar dit besluit bracht geen nieuwe rechtsgevolgen met zich mee. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, maar dit werd op 24 januari 2020 niet-ontvankelijk verklaard omdat het bezwaar te laat was en het besluit geen nieuw besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht was.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit in hoger beroep. De Raad oordeelde dat appellant al jaren eerder op de hoogte was van zijn schuld en dat het bezwaar tegen het aflossingsbesluit niet ontvankelijk kon worden verklaard. Appellant had toegang tot het systeem waarin de eerdere besluiten stonden, en zijn persoonlijke omstandigheden rechtvaardigden geen uitzondering op de termijnoverschrijding. Het hoger beroep werd verworpen zonder proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het bezwaar tegen het aflossingsbesluit studiefinanciering is niet-ontvankelijk verklaard en het hoger beroep ongegrond verklaard.

Uitspraak

20/4440 WSF
Datum uitspraak: 22 december 2021
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
3 december 2020, 20/856 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. M. Gümüs, advocaat, hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft, met toestemming van partijen gedeeltelijk door middel van een geluidsverbinding, plaatsgevonden op 10 november 2021. Mr. Gümüs heeft deelgenomen via de geluidsverbinding. De minister, vertegenwoordigd door mr. B.C. Rots, was ter zitting aanwezig.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant heeft studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 ontvangen in diverse studiefinancieringstijdvakken vanaf januari 2007, aanvankelijk alleen in de vorm van een basisbeurs en aanvullende beurs, maar vanaf 2009 ook in de vorm van een rentedragende lening.
1.2.
Bij besluiten van 17 april 2009 en 24 april 2009 heeft de minister aan appellant meegedeeld dat hij te veel studiefinanciering heeft ontvangen en dat het te veel betaalde bedrag is omgezet in een kortlopende schuld. Ook is in deze besluiten melding gemaakt van een schuld wegens het vervallen van het recht op een OV-kaart.
1.3.
Bij besluit van 24 mei 2017 heeft de minister aan appellant meegedeeld dat hij over de maanden februari tot en met april 2017 geen recht heeft op studiefinanciering en dat hij daarom een bedrag van € 2.172,96 te veel studiefinanciering heeft ontvangen.
1.4.
Bij brief van 23 april 2019 heeft de minister aan appellant een betalingsregeling voorgesteld voor de betaling van zijn achterstallige schuld ten bedrage van € 2.775,22. In de brief is melding gemaakt van een verzoek van appellant om een aflosvrije periode, dat bij besluit van 19 april 2019 is gehonoreerd voor de periode mei 2019 tot en met (lees: tot) januari 2020.
1.5.
Bij besluit van 7 november 2019 heeft de minister aan appellant meegedeeld dat hij vanaf januari 2020 maandelijks een bedrag van € 71,66 op zijn schuld moet aflossen. In het besluit is melding gemaakt van een schuld van in totaal € 7.099,90 (€ 4.962,94 + € 2.136,96).
1.6.
Bij besluit van 24 januari 2020 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van appellant tegen het besluit van 7 november 2019 niet-ontvankelijk verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat appellant bij de besluiten van 17 april 2019 en 24 april 2019 (lees: 2009) op de hoogte is gebracht van de hoogte van zijn schuld alsmede de omzetting van deze schuld in een rentedragende lening. De mededeling in het bericht van 7 november 2019 brengt hierin geen wijziging en bevat in zoverre geen nieuwe gegevens. Dit bericht heeft dan ook geen rechtsgevolg, zodat in zoverre geen sprake is van een besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht waartegen bezwaar kon worden gemaakt.
3. Appellant heeft in hoger beroep herhaald dat hij meent dat hij geen schuld bij verweerder heeft, omdat de als lening toegekende bedragen zouden zijn omgezet in een gift nadat hij zijn diploma had behaald. Hij heeft aangevoerd dat hij de besluiten van 17 april 2019 en
24 april 2019 niet heeft ontvangen en dat de brief van 7 november 2019 de eerste is waarmee hij van het bestaan van een schuld op de hoogte is gebracht.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
Het oordeel van de rechtbank is juist. Met het besluit van 7 november 2019 heeft de minister voor wat betreft de samenstelling en hoogte van de schuld niet beoogd een rechtsgevolg in het leven te roepen en dit ook niet gedaan. Over de samenstelling en hoogte van de schuld was appellant immers al jaren eerder geïnformeerd. Dat betekent dat tegen het besluit van 7 november 2019 in zoverre geen beroep openstond en dat daartegen dus ook geen bezwaar kon worden gemaakt. De minister heeft het bezwaar daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard.
4.2.
Wat in hoger beroep is aangevoerd werpt hierop geen ander licht. Zo kan – anders dan door appellant is betoogd – niet worden gezegd dat het bezwaar gericht had moeten worden geacht tegen de eerder bekend gemaakte besluiten. Appellant heeft gesteld die besluiten niet te hebben ontvangen, waarmee hij zich impliciet op het standpunt stelt dat het overschrijden van de bezwaartermijn voor die besluiten hem niet zou mogen worden tegengeworpen. Uit de uitgebreide nadere toelichting die de minister op verzoek van de Raad bij brief van 4 november 2021 heeft gegeven, komt naar voren dat appellant de besluiten van de minister ontving via Mijn DUO. Appellant had toegang tot dat systeem, wat valt af te leiden uit het gegeven dat vaststaat dat op zijn minst enkele van deze besluiten feitelijk zijn geopend. Dat appellant zich onvoldoende heeft gerealiseerd wat de stand van zaken met betrekking tot zijn studieschuld was, is niet voldoende om hem de overschrijding van de bezwaartermijn niet tegen te werpen. De tegenslagen waarmee appellant te maken zou hebben gehad, waaronder ook psychische problemen, zijn daarvoor ook niet voldoende, omdat appellant in dat geval ervoor had moeten zorgen dat zijn belangen door een derde zouden worden behartigd. Ook anderszins kan in wat in hoger beroep is aangevoerd geen aanleiding worden gevonden voor vernietiging van de aangevallen uitspraak.
4.3.
De nadere toelichting bedoeld onder 4.2 en de daarbij meegezonden besluiten wijzen er overigens op dat – anders dan appellant zelf blijkbaar meende – van omzetting in een gift reeds geen sprake kon zijn omdat appellant vanwege het opleidingsniveau geen studiefinanciering in de vorm van een prestatiebeurs ontving. De schuld is ook niet ontstaan omdat appellant geen diploma zou hebben behaald, maar omdat bij controles op inschrijving en nationaliteit is gebleken dat appellant niet aan de voorwaarden voor toekenning van studiefinanciering voldeed.
4.4.
Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van D. Al-Zubaidi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 december 2021.
(getekend) J. Brand
(getekend) D. Al-Zubaidi