ECLI:NL:CRVB:2021:3221
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging nabestaandenuitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid bevestigd
Appellante, weduwe van een overledene, had aanvankelijk recht op een nabestaandenuitkering omdat zij volgens het Uwv voor meer dan 45% arbeidsongeschikt werd geacht. Later besloot de Sociale verzekeringsbank (Svb) de uitkering te beëindigen omdat de arbeidsongeschiktheid was gedaald tot onder de 45%, gebaseerd op een nieuw medisch en arbeidskundig onderzoek.
De rechtbank verklaarde het bezwaar tegen dit besluit ongegrond, omdat het onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en de beperkingen van appellante adequaat waren vastgesteld. Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar beperkingen, met name aan knie, schouder, nek en het globusgevoel, onvoldoende waren erkend.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de medische en arbeidskundige rapportages, inclusief aanvullend onderzoek en informatie van diverse specialisten, geen aanleiding geven om de beperkingen hoger te stellen. De FML was zorgvuldig opgesteld en hield voldoende rekening met de klachten. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank.
Er werd geen aanleiding gezien voor het toekennen van extra beperkingen of het heropenen van de uitkering. De proceskosten werden niet toegewezen en de uitspraak werd in het openbaar gedaan op 17 december 2021.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de nabestaandenuitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.