ECLI:NL:CRVB:2021:3184
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling arbeidsongeschiktheid en weigering WIA-uitkering door UWV bevestigd
Appellant was werkzaam als financieel medewerker en meldde zich ziek met psychische klachten en vermoeidheid. Het UWV stelde op basis van medisch en arbeidskundig onderzoek vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde een WIA-uitkering toe te kennen. Appellant maakte bezwaar en beroep, maar de rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep voerde appellant aan dat het medisch onderzoek onvoldoende was en dat zijn mentale belastbaarheid te laag was voor behandeling, wat volgens hem onvoldoende in de beoordeling was meegenomen. Hij overhandigde medische stukken van een klinisch psycholoog ter onderbouwing.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de medische beoordeling zorgvuldig was en dat de beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) adequaat waren vastgesteld. De Raad vond geen aanleiding om de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep in twijfel te trekken, ook niet vanwege het ontbreken van een hulpvraag en de mentale toestand van appellant.
De Raad bevestigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank dat appellant niet in aanmerking komt voor een WIA-uitkering. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV wordt bevestigd.