ECLI:NL:CRVB:2021:3173
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant was sinds 1989 werkzaam als productiemedewerker en meldde zich in 2016 ziek met psychische en rugklachten. Het UWV stelde in 2018 vast dat appellant 32,75% arbeidsongeschikt was en weigerde een WIA-uitkering toe te kennen. Het bezwaar werd ongegrond verklaard, waarbij een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige de beperkingen en passende functies bevestigden.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het UWV zorgvuldig had gehandeld. De medische beoordeling was gebaseerd op uitgebreid onderzoek en informatie van behandelaars. De rechtbank concludeerde dat appellant op de beoordelingsdatum niet volledig arbeidsongeschikt was, ondanks latere verslechteringen.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunten over onderschatting van zijn klachten en ongeschiktheid van de geselecteerde functies. De Raad volgde de rechtbank en het UWV, oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was en dat de medische en arbeidskundige rapporten voldoende waren gemotiveerd. De verslechtering van de klachten trad pas na de beoordelingsdatum op, wat een volledige arbeidsongeschiktheid toen niet rechtvaardigt.
De Raad bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het hoger beroep af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen WIA-uitkering krijgt wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.