ECLI:NL:CRVB:2021:3131
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vaststelling arbeidsongeschiktheid op 66,29% door UWV
Appellante, voormalig managementassistente, meldde zich ziek in mei 2012 en ontving vanaf mei 2014 een WGA-uitkering met een arbeidsongeschiktheid van 100%. In maart 2017 werd dit percentage vastgesteld op 60,35%. Na een toename van klachten in januari 2018 stelde het UWV de arbeidsongeschiktheid vast op 66,29% op basis van medische beoordelingen en een functionele mogelijkhedenlijst.
Appellante voerde in hoger beroep aan volledig arbeidsongeschikt te zijn en stelde dat haar beperkingen, zoals incontinentie en concentratieproblemen, zwaarder mee moesten wegen. Zij ondersteunde dit met medische rapporten van een eigen verzekeringsarts en behandelinstantie.
De Raad oordeelde dat er geen aanleiding was om te twijfelen aan de medische beoordelingen van de verzekeringsartsen van het UWV. De klachten en beperkingen waren voldoende gemotiveerd en de geselecteerde functies waren medisch geschikt. De argumenten van appellante werden als herhaling van eerdere bezwaren beoordeeld en verworpen.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarmee het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland, en wees het hoger beroep af. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV de arbeidsongeschiktheid terecht heeft vastgesteld op 66,29%.