ECLI:NL:CRVB:2021:313
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant, voormalig vrachtwagenchauffeur, ontving sinds 2011 een WIA-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid. Na een herbeoordeling in 2018 heeft het UWV de uitkering beëindigd omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht.
De rechtbank Zeeland-West-Brabant vernietigde het besluit, maar liet de rechtsgevolgen in stand omdat de motivering in bezwaar en beroep voldoende was. Appellant voerde in hoger beroep aan dat het medisch onderzoek onvoldoende zorgvuldig was en dat zijn beperkingen werden onderschat, mede onderbouwd met een huisartsrapport van 2019.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de informatie van de huisarts geen nieuwe feiten bevat die relevant zijn voor de peildatum 4 juli 2018. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat het UWV terecht heeft vastgesteld dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is en bevestigt het bestreden besluit. Het hoger beroep wordt verworpen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en het besluit tot beëindiging van de WIA-uitkering wordt bevestigd.