ECLI:NL:CRVB:2021:3106
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging Ziektewetuitkering na zorgvuldige medische beoordeling
Appellant werkte tot november 2015 als schoonmaker en ontving een Ziektewetuitkering sinds mei 2018. Na een eerstejaars ZW-beoordeling concludeerde een verzekeringsarts dat appellant belastbaar was met beperkingen, waarop het UWV de uitkering beëindigde omdat appellant meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kon verdienen.
Appellant voerde in beroep en hoger beroep aan dat zijn beperkingen, met name door een angststoornis en PTSS, onderschat waren en dat hij een kruk nodig had vanwege reumatische klachten. Hij verzocht ook om benoeming van een onafhankelijke deskundige.
De Raad oordeelde dat het onderzoek door het UWV zorgvuldig was, de psychiater geen aanwijzingen gaf voor angststoornis of PTSS, en dat medische stukken geen noodzaak voor krukgebruik toonden. Appellant diende geen aanvullende medische informatie in. Er was geen grond voor twijfel aan de medische beoordeling of voor benoeming van een deskundige.
De Raad bevestigde het oordeel van de rechtbank dat de geselecteerde functies medisch geschikt zijn voor appellant en dat de uitkering terecht is beëindigd. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de beëindiging van de Ziektewetuitkering wordt bevestigd.