Uitspraak
20.2979 WIA
14 juli 2020, 18/8196 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant, laatstelijk werkzaam als huishoudelijk medewerker, meldde zich ziek met lichamelijke klachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde vast dat appellant met beperkingen in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) belastbaar was en weigerde de uitkering omdat de arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedroeg.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat met de gehoorklachten en spraakverstaan in de FML voldoende rekening was gehouden. De arbeidsdeskundige stelde dat de geselecteerde functies geen gevaarlijke omstandigheden bevatten en communicatie geen wezenlijk onderdeel vormde.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunt dat zijn auditieve beperkingen onderschat waren en verzocht om benoeming van een onafhankelijke deskundige. De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank, stelde dat de medische en arbeidskundige rapporten voldoende waren gemotiveerd en zag geen aanleiding tot het benoemen van een onafhankelijke deskundige.
Het hoger beroep slaagde niet en de aangevallen uitspraak werd bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV om geen WIA-uitkering toe te kennen wordt bevestigd.