ECLI:NL:CRVB:2021:3039
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag bijstand wegens gezamenlijke huishouding en hoofdverblijf
Appellant diende een aanvraag om bijstand in als alleenstaande en gaf op te wonen op een bepaald adres waar hij ook in de Basisregistratie Personen (BRP) stond ingeschreven. Het college wees de aanvraag af op grond van het vermoeden van een gezamenlijke huishouding met A, met wie appellant het adres deelde. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond.
In hoger beroep stelde appellant dat hij feitelijk woonde op een ander adres dan in de BRP vermeld, maar slaagde er niet in dit aannemelijk te maken. Het feit dat hij zich destijds niet kon inschrijven op dat adres, deed hieraan niet af. De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom het bestreden besluit en oordeelde dat de inschrijving in de BRP niet doorslaggevend is voor het bepalen van het hoofdverblijf.
De Raad wees ook op het onweerlegbare rechtsvermoeden van gezamenlijke huishouding volgens de Participatiewet. De toekenning van bijstand voor een latere periode op het andere adres was niet relevant voor de te beoordelen periode. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De aanvraag om bijstand wordt afgewezen omdat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij feitelijk woonde op het opgegeven adres.