Uitspraak
21.412 WIA
OVERWEGINGEN
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, werkzaam als voorman/insteller, meldde zich op 30 september 2014 ziek. Het UWV stelde in 2016 de arbeidsongeschiktheid vast op 41,01%. Na een verzoek tot herbeoordeling in 2019 werd de mate verhoogd naar 61,02%, gebaseerd op een functionele mogelijkhedenlijst en arbeidsdeskundige beoordeling.
Appellant maakte bezwaar tegen deze vaststelling, stellende dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was en dat zijn beperkingen onjuist waren vastgesteld. Zowel de verzekeringsarts bezwaar en beroep als de arbeidsdeskundige handhaafden het oorspronkelijke oordeel. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de medische beoordeling zorgvuldig was en dat de psychische problematiek niet wezenlijk was veranderd.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn bezwaren en diende nieuwe rapporten in. De Raad concludeerde dat deze geen aanleiding geven tot een ander oordeel. De verzekeringsarts bezwaar en beroep had de nieuwe rapporten reeds beoordeeld en vond geen onderbouwing voor verdere beperkingen. Ook het ontbreken van een lichamelijk onderzoek door de bezwaarverzekeringsarts werd niet als onzorgvuldig beoordeeld.
De Raad wees het beroep af en bevestigde de eerdere uitspraak. Er was geen grond voor het inschakelen van een onafhankelijke deskundige en geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de mate van arbeidsongeschiktheid terecht is vastgesteld op 61,02%.