Uitspraak
20.2616 WAJONG
3 juli 2020, 19/2160 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellante vroeg een Wajong-uitkering aan, maar het UWV stelde vast dat zij minder dan 25% arbeidsongeschikt was op de relevante peildatum, één jaar voor de aanvraag. Dit besluit werd ondersteund door rapporten van verzekeringsarts en arbeidsdeskundige, en het bezwaar van appellante werd ongegrond verklaard.
De rechtbank vernietigde het bezwaarbesluit wegens onzorgvuldige medische onderbouwing, maar liet de rechtsgevolgen in stand. In hoger beroep voerde appellante aan dat zij door ADHD en een recent gediagnosticeerde cervicale dystonie meer beperkingen had dan aangenomen, en dat de arbeidskundige beoordeling onvoldoende was gemotiveerd.
De Raad volgde het UWV en de rechtbank in het oordeel dat de medische beoordeling juist was, dat de cervicale dystonie niet leidde tot beperkingen op de peildatum, en dat de arbeidskundige passendheid van functies voldoende was gemotiveerd. Er was geen aanleiding een deskundige in te schakelen. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd dat appellante minder dan 25% arbeidsongeschikt was.