ECLI:NL:CRVB:2021:2956
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging toekenning loongerelateerde WGA-uitkering na zorgvuldige beoordeling arbeidsongeschiktheid
Appellant was laatstelijk werkzaam als algemeen productiemedewerker en meldde zich op 6 april 2017 ziek met lichamelijke en psychische klachten. Het UWV stelde op basis van verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek vast dat appellant belastbaar was met beperkingen zoals vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 4 februari 2019. Op grond hiervan werd een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend met ingang van 4 april 2019, waarbij de arbeidsongeschiktheid werd vastgesteld op 60,31%.
Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, maar het UWV verklaarde dit ongegrond. De rechtbank Limburg bevestigde dit oordeel en oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig en deugdelijk was uitgevoerd, met voldoende gemotiveerde rapporten zonder inconsistenties. De rechtbank vond dat het UWV de belastbaarheid van appellant op de datum in geding juist had ingeschat.
In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn beperkingen groter waren dan aangenomen, onder meer door cognitieve problemen en degeneratieve veranderingen. De Centrale Raad van Beroep volgde deze stellingen niet omdat appellant geen nieuwe medische informatie had ingebracht die het eerdere oordeel zou kunnen wijzigen. De Raad vond dat het UWV voldoende had gemotiveerd dat de geselecteerde functies medisch geschikt waren en dat de FML een reëel beeld gaf van de beperkingen.
De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV de arbeidsongeschiktheid van appellant terecht heeft vastgesteld op 60,31% en wijst het hoger beroep af.