Uitspraak
20.3190 AOW
mr. Groen verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. N.Zuidersma-Hovers.
Centrale Raad van Beroep
Appellant vroeg in 2015 een ouderdomspensioen aan op basis van zijn verblijf en werk in Nederland tussen 1970 en 1974. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) wees de aanvraag af omdat niet was vastgesteld dat appellant verzekerd was voor de AOW. Een bezwaar werd niet-ontvankelijk verklaard, waardoor het besluit rechtens onaantastbaar werd.
In 2018 diende appellant een herhaalde aanvraag in, die eveneens werd afgewezen omdat geen nieuwe feiten waren aangevoerd. Wel werd in de bezwaarfase een nieuw bewijsstuk van het Pensioenfonds Horeca & Catering overgelegd waaruit bleek dat premies waren betaald in de periode 1970-1972. Dit leidde tot een gedeeltelijke toekenning van het pensioen met terugwerkende kracht vanaf 1 september 2017.
Appellant stelde dat sprake was van een bijzonder geval waardoor een langere terugwerkende kracht gerechtvaardigd zou zijn, onder meer vanwege fonetische schrijfwijzen van zijn naam en zijn analfabetisme. De Raad oordeelde dat de Svb terecht de terugwerkende kracht beperkte tot één jaar, omdat de onjuistheid van het eerdere besluit het gevolg was van een fout van een derde en het analfabetisme geen bijzonder geval vormt.
De Raad bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er was geen aanleiding voor toekenning van een langere terugwerkende kracht of proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De terugwerkende kracht van het ouderdomspensioen wordt terecht beperkt tot één jaar vanaf 1 september 2017.