ECLI:NL:CRVB:2021:2918
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Wajong-uitkering terecht geweigerd wegens voldoende verdiencapaciteit en passende functies
Appellante vroeg een Wajong-uitkering aan op grond van de Wet Wajong, welke door het UWV werd geweigerd omdat zij meer dan 75% van het minimumloon kon verdienen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep vernietigt deze uitspraak en het eerdere besluit van het UWV.
In hoger beroep werd uitgebreid medisch en arbeidskundig onderzoek verricht, waarbij een onafhankelijke verzekeringsarts als deskundige werd benoemd. Deze concludeerde dat de beperkingen van appellante niet verder reikten dan vastgelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van november 2019, geldig per februari 2014. De Raad volgde dit oordeel omdat de deskundige over alle relevante medische gegevens beschikte en haar conclusies overtuigend waren.
Hoewel appellante stelde dat de functie allround medewerker car haar belastbaarheid overschrijdt, vond de Raad onvoldoende bewijs dat deze functie medisch ongeschikt was. Andere geselecteerde functies, zoals productiemedewerker en monteur, werden als passend beoordeeld. Het beroep tegen het gewijzigde besluit van het UWV werd daarom ongegrond verklaard.
De Raad veroordeelde het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierechten aan appellante. De uitspraak bevestigt dat het recht op Wajong-uitkering afhankelijk is van de mate van verdiencapaciteit en passende functies, waarbij medisch en arbeidskundig onderzoek doorslaggevend is.
Uitkomst: De Wajong-uitkering wordt geweigerd omdat appellante op de beoordelingsdatum meer dan 75% van het minimumloon kan verdienen met passende functies.