ECLI:NL:CRVB:2021:2898
Centrale Raad van Beroep
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Verzoek om voorlopige voorziening bij intrekking bijstandsrecht niet-ontvankelijk wegens ontbreken materiële connexiteit
Verzoeker ontving sinds 2000 bijstand en kreeg deze op grond van de Participatiewet. Na een signaal over zelfstandigenaftrek in 2015 en 2016 startte het college een onderzoek naar de rechtmatigheid van de bijstand. Verzoeker werd herhaaldelijk gevraagd om financiële gegevens te verstrekken, maar leverde deze niet aan. Hierdoor werd de bijstand vanaf mei 2018 opgeschort en later ingetrokken met terugvordering van €80.285,27 over de periode 2013-2018.
De rechtbank verklaarde het beroep van verzoeker tegen deze intrekking ongegrond. Verzoeker stelde hoger beroep in en verzocht om een voorlopige voorziening om de intrekking te schorsen en een voorschot van €60.000,- te ontvangen. De voorzieningenrechter oordeelde dat het verzoek niet aan het materiële connexiteitsvereiste voldeed, omdat het ging om een intrekking en terugvordering over een afgesloten periode en niet om een lopende bijstandsverlening.
Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken. De uitspraak werd gedaan door voorzitter J.N.A. Bootsma op 16 november 2021.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van materiële connexiteit.