Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2021:2898

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 november 2021
Publicatiedatum
22 november 2021
Zaaknummer
21/3051 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:309 BWArt. 8:81 AwbArt. 8:104 AwbArt. 8:108 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om voorlopige voorziening bij intrekking bijstandsrecht niet-ontvankelijk wegens ontbreken materiële connexiteit

Verzoeker ontving sinds 2000 bijstand en kreeg deze op grond van de Participatiewet. Na een signaal over zelfstandigenaftrek in 2015 en 2016 startte het college een onderzoek naar de rechtmatigheid van de bijstand. Verzoeker werd herhaaldelijk gevraagd om financiële gegevens te verstrekken, maar leverde deze niet aan. Hierdoor werd de bijstand vanaf mei 2018 opgeschort en later ingetrokken met terugvordering van €80.285,27 over de periode 2013-2018.

De rechtbank verklaarde het beroep van verzoeker tegen deze intrekking ongegrond. Verzoeker stelde hoger beroep in en verzocht om een voorlopige voorziening om de intrekking te schorsen en een voorschot van €60.000,- te ontvangen. De voorzieningenrechter oordeelde dat het verzoek niet aan het materiële connexiteitsvereiste voldeed, omdat het ging om een intrekking en terugvordering over een afgesloten periode en niet om een lopende bijstandsverlening.

Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken. De uitspraak werd gedaan door voorzitter J.N.A. Bootsma op 16 november 2021.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van materiële connexiteit.

Uitspraak

21/3051
Centrale Raad van Beroep
Voorzieningenrechter
Uitspraak op het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening
Partijen:
[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)
het college van burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen (college)
Datum uitspraak: 16 november 2021

PROCESVERLOOP

Namens verzoeker heeft mr. A.C.S. Grégoire hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 28 juli 2021 (19/3145) en een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening gedaan.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 november 2021. Voor verzoeker is verschenen, mr. Grégoire. Het college heeft zich (via Skype) laten vertegenwoordigen door mr. T.P. Blanksma.

OVERWEGINGEN

1. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Verzoeker ontving vanaf 11 februari 2000 bijstand naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW).
1.2.
Naar aanleiding van een signaal dat in de belastingjaren 2015 en 2016 in box 1 zelfstandigenaftrek is toegepast, heeft het college een onderzoek naar de rechtmatigheid van de verstrekte bijstand ingesteld. Bij brief van 6 maart 2018 is aan verzoeker gevraagd om een aantal gegevens te verstrekken: een volledig ingevuld en ondertekend heronderzoeksformulier en kopieën van originele bankafschriften van alle betaal-, spaar-, creditcard-/PayPal-rekeningen over de periode van 1 december 2017 tot en met 28 februari 2018.
1.3.
De betaling van de bijstand is geblokkeerd vanaf 1 mei 2018. Bij het besluit van 30 mei 2018 heeft het college de bijstand opgeschort vanaf 31 mei 2018, omdat verzoeker niet op de afgesproken datum van 30 mei 2018 de gevraagde gegevens heeft ingeleverd. Het college heeft verzoeker opnieuw verzocht de gegevens te verstrekken. Bij besluit van 28 juni 2018 heeft het college het recht op bijstand van verzoeker vanaf 31 mei 2018 ingetrokken.
1.4.
Bij brief van 8 oktober 2018 heeft het college nadere gegevens bij verzoeker opgevraagd, waaronder een schriftelijk bewijs van het in 2016 aan verzoeker uitgekeerde schadebedrag van € 59.100,00 door Reaal schadeverzekering, alle zakelijke en privé ingediende belastingaangiften, de bankafschriften van verschillende bankrekeningen, paypal-account en spaarrekeningen, creditcard overzichten en van eventuele rekeningnummers waarvan het college het bestaan nog niet afweet. Dit alles, rekening houdend met een verjaringstermijn van vijf jaar voor het nemen van een besluit tot terugvordering van bijstand op grond van artikel 3:309 van Pro het Burgerlijk Wetboek, over de periode 1 januari 2013 tot 1 mei 2018. Omdat verzoeker de gevraagde gegevens niet heeft ingeleverd, heeft het college bij brief van 30 oktober 2018 verzoeker nogmaals verzocht de gevraagde informatie te verstrekken.
1.5.
Bij besluit van 21 maart 2019, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 12 november 2019 (bestreden besluit), heeft het college het recht op bijstand van verzoeker per 1 januari 2013 ingetrokken en de over de periode van 1 januari 2013 tot en met 30 april 2018 ten onrechte betaalde bijstand van € 80.285,27 van hem teruggevorderd. Aan dit besluit ligt ten grondslag dat verzoeker heeft verzuimd de gevraagde gegevens te verstrekken. Als gevolg daarvan kan vanaf 1 januari 2013 niet worden vastgesteld of, en zo ja, in welke mate verzoeker in bijstandsbehoevende omstandigheden verkeerde.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3.1.
In hoger beroep heeft verzoeker zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd en een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan.
3.2.
Over de opschorting en de intrekking na opschorting vanaf 31 mei 2018 waren (incidenteel) hoger beroepen en verzoeken om voorlopige voorziening ingediend (19/3827, 19/3828, 19/3829, 19/4845, 19/4846, 19/4847, 21/3047, 21/3048 en 21/3049). Op de zitting van de Raad van 24 september 2021 hebben partijen deze zaken ingetrokken. De Raad had het voorlopige oordeel gegeven dat de opschorting en intrekking juist waren en bij een uitspraak dus in stand zouden blijven. Het was ook een blijk van vertrouwen van verzoeker aan het college, dat zich op deze zitting bereid had verklaard om verzoeker de gelegenheid te geven de gegevens alsnog in te leveren en in gesprek te gaan over de intrekking per 1 januari 2013 en de terugvordering van 1 januari 2013 tot 1 mei 2018.
De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Ingevolge artikel 8:104, eerste lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verbinding met artikel 8:81 van Pro de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of de voorzieningenrechter van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
4.2.
Uit de functie van artikel 8:81 van Pro de Awb vloeit voort dat een verzoek om een voorlopige voorziening moet voldoen aan de vereisten van formele en materiële connexiteit. Niet alleen is voor een ontvankelijk verzoek om een voorlopige voorziening nodig dat tegen een besluit beroep is ingesteld bij de bestuursrechter (formele connexiteit), wat een verzoeker met zijn verzoek wil bereiken moet ook betrekking hebben op de inhoud van dat besluit (materiële connexiteit).
4.3.
Verzoeker vraagt de voorzieningenrechter van de Raad om het bestreden besluit te schorsen, zodat het recht op bijstand van verzoeker doorloopt, en het college te gelasten aan hem een voorschot te betalen binnen drie dagen van € 60.000,- netto.
4.4.
In dit geval voldoet het verzoek om een voorlopige voorziening niet aan het materiële connexiteitsvereiste. De gevraagde schorsing heeft immers niet tot gevolg dat het recht op bijstand vanaf mei 2018 zal doorlopen. Het gaat namelijk om een intrekking en een terugvordering over een afgesloten periode in het verleden. Voorschotverlening kan in deze procedure dan ook niet aan de orde zijn, omdat de toekenning van bijstand (en daarmee de verlening van een voorschot) geen onderwerp van geschil vormt in de bodemprocedure die connex aan deze voorlopige voorziening bij de Raad aanhangig is.
4.5.
Het verzoek is, gelet op 4.3 en 4.4, niet-ontvankelijk.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep verklaart het verzoek niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door J.N.A. Bootsma als voorzitter en J. Oosterveen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 november 2021.
(getekend) J.N.A. Bootsma
(getekend) J. Oosterveen