ECLI:NL:CRVB:2021:2878
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewet-uitkering na zorgvuldig medisch onderzoek bevestigd
Appellante was werkzaam als groepsbegeleider en meldde zich in januari 2014 ziek. Na het beëindigen van haar dienstverband in april 2015 weigerde het UWV haar een WIA-uitkering omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. Appellante werkte vervolgens als slaapwachtbegeleider, maar meldde zich in augustus 2017 ziek met buikpijnklachten. Het UWV kende haar een Ziektewet-uitkering toe, die zij later beëindigde per 3 december 2018 op grond van een medisch onderzoek.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze beëindiging ongegrond, omdat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en de verzekeringsarts bezwaar en beroep haar geschikt achtte voor de functies slaapwachtbegeleider en wikkelaar, ondanks haar klachten. Appellante voerde in hoger beroep aan dat het onderzoek onvoldoende was en dat haar psychische klachten onvoldoende waren meegewogen, en verzocht om een onafhankelijk deskundige.
De Centrale Raad van Beroep volgde de rechtbank en het UWV, oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de motivering van de verzekeringsarts voldoende was. De Raad vond geen aanleiding tot het inschakelen van een deskundige en bevestigde de beëindiging van de Ziektewet-uitkering. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Ziektewet-uitkering van appellante is terecht beëindigd en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.