ECLI:NL:CRVB:2021:2865
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling juiste vaststelling en indexering van WAO-dagloon door UWV
Verzoekster, voormalig administratief medewerkster bij het ministerie van Defensie, ontving vanaf 1 december 2000 een WAO-uitkering. Het geschil betrof de juiste vaststelling en indexering van haar dagloon door het UWV. Het UWV had het dagloon vastgesteld op basis van de wettelijke bepalingen, waarbij het vervolgdagloon niet werd verhoogd vanwege leeftijd en correct werd geïndexeerd.
Verzoekster maakte bezwaar tegen betaalspecificaties uit 2020, maar het UWV verklaarde deze bezwaarprocedures ongegrond dan wel niet-ontvankelijk. De rechtbank Limburg onderschreef dit standpunt. In hoger beroep stelde verzoekster dat de dagloonberekening onjuist was, onderbouwd met bankafschriften en jaaropgaven, maar deze bleken onvoldoende om het besluit te wijzigen.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het UWV het dagloon correct had vastgesteld en geïndexeerd volgens artikel 21b, lid 4, van de WAO. Hoewel het UWV pas in hoger beroep een deugdelijke motivering gaf, werd dit gebrek gepasseerd omdat verzoekster niet benadeeld was. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Het UWV werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het hoger beroep van verzoekster wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.