Uitspraak
20 3466 WIA
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
4.5. Uit 4.3 en 4.4 volgt dat het hoger beroep slaagt niet. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
Centrale Raad van Beroep
Appellante ontving een besluit van het UWV dat haar WIA-uitkering per 13 juni 2019 zou worden beëindigd wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid. Het bezwaar tegen dit besluit werd door het UWV niet-ontvankelijk verklaard omdat het te laat was ingediend en deze termijnoverschrijding niet verschoonbaar was. De rechtbank Limburg bevestigde dit oordeel en wees het beroep af.
In hoger beroep stelde appellante dat de termijnoverschrijding verschoonbaar was vanwege de slechte gezondheid van de gemachtigde's echtgenote, waardoor het bezwaar te laat werd ingediend. Tevens werd aangevoerd dat het UWV door telefonisch contact de indruk had gewekt dat het bezwaar alsnog in behandeling zou worden genomen, waardoor het vertrouwensbeginsel werd geschonden.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar was, mede omdat de gemachtigde zijn kantoorgenoot had kunnen inschakelen om tijdig bezwaar in te dienen. Daarnaast was geen sprake van een toezegging door het UWV die een rechtvaardige verwachting kon wekken dat het bezwaar ontvankelijk zou worden verklaard. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het bezwaar blijft niet-ontvankelijk wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding.