ECLI:NL:CRVB:2021:2825
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van in mindering brengen prepensioen op WW-uitkering conform artikel 47 WW
Appellant was werkzaam via een uitzendbureau en ontving vanaf 1 juli 2017 een prepensioen. Het UWV bracht dit prepensioen vanaf 20 mei 2019 in mindering op zijn WW-uitkering, conform artikel 47 van Pro de WW en artikel 3:5 van Pro het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten (AIB).
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond, stellende dat geen uitzonderingssituaties van het AIB van toepassing zijn en dat de wetgever bewust heeft gekozen voor deze regeling. Appellant voerde hoger beroep aan met een beroep op het gelijkheidsbeginsel en mogelijke discriminatie, alsmede op een rapport over de toeslagenaffaire dat maatwerk adviseert.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het prepensioen terecht als inkomen wordt aangemerkt en in mindering wordt gebracht. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel en discriminatie faalt, omdat appellant niet anders wordt behandeld dan vergelijkbare gevallen. Het rapport over de toeslagenaffaire is niet van toepassing op de feitelijke en juridische situatie van appellant. De Raad bevestigt het bestreden besluit en wijst het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit tot verrekening van het prepensioen op de WW-uitkering wordt bevestigd.