Uitspraak
20.2203 WIA
22 mei 2020, 17/1584 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellante was sinds 2009 ziek gemeld met rugklachten en ontving vanaf 2011 een WGA-uitkering. Na een herbeoordeling in 2016 stelde het UWV vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en beëindigde daarom haar WIA-uitkering. Appellante maakte bezwaar en stelde beroep in tegen dit besluit.
De rechtbank benoemde een onafhankelijke deskundige die het oordeel van het UWV bevestigde en concludeerde dat de beperkingen van appellante juist waren vastgesteld in de functionele mogelijkhedenlijst (FML) van 23 augustus 2016. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar beperkingen ernstiger waren dan vastgesteld en dat de rechtbank onvoldoende rekening had gehouden met haar neurochirurg en psychische klachten. De Centrale Raad van Beroep volgde echter het deskundigenrapport van de door de rechtbank ingeschakelde verzekeringsarts, dat een zorgvuldig en overtuigend onderzoek bevatte en concludeerde dat de FML een juist beeld geeft van haar beperkingen.
De Raad oordeelde dat het aanvullende rapport van de door appellante ingeschakelde verzekeringsarts geen nieuwe medische feiten bevatte en dat de psychische klachten voldoende waren meegewogen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot beëindiging van de WIA-uitkering wordt bevestigd.